https://www.svhuizen.nl/gert-bals/n4620c103
Zalmkado logo huizer kaasgilde logo bcz logo slokker it logo meco
Zalmkado logo huizer kaasgilde
     
    Gert Bals
    23 jul 2020
    Ron Tuijnman
    Keepers zijn gek! Altjid de gebeten hond bij een tegengoal, maar toch zijn er altijd weer dwazen te vinden die die plek onder de lat in willen nemen. Een hommage aan één van die anti-helden...
    gert-bals

    Gert Bals
    In eerste instantie was ik van plan een column te schrijven over keepers en was ik zelfs al een ferm eind op streek. Maar dan slaat het ‘noodlot’ toe en vallen me de documentaires, boeken en blogs over keepers als rijpe appelen om de oren. Dan wordt mijn bijdrage aan deze informatiestroom lichtelijk mosterd na de maaltijd en het betreden van platgetreden paden.
    Dat er zoveel over doelmannen gepubliceerd wordt is wel begrijpelijk: het is immers de vreemde eend in de bijt van het elftal. Ik weet niet meer van wie de uitspraak afkomstig is dat een elftal bestaat uit negen voetballers, een keeper en een linksbuiten, maar dat linkse pootje en de daar haast onlosmakelijke mee gepaard gaande genialiteit, maakt die laatste speler ook wel een beetje een ‘aparte’.
    Keepers mogen ‘dat ding’ gewoon in hun handen pakken en dat was in veel gevallen geen overbodige luxe: twee linkerbenen is nou eenmaal niet handig als je rechts bent. En aangezien je niet kon voetballen besloot men alras dat jij ‘m dan maar gewoon in je handen moest mogen pakken. En zo werd je dan keeper…
    Een ondankbare taak: je bent voor je eigen wedstrijd eigenlijk meer afhankelijk van je tegenstanders dan van je eigen presteren. Een back kan mee opkomen, een spits kan bijspringen in de defensie, maar een keeper? Alleen in de extra tijd bij een stand die nog uitzicht op iets biedt mag ie bij Gods gratie een keer mee naar voren, maar verder staat hij er maar een beetje bij met samengeknepen ogen tegen die altijd verkeerd staande zon in te turen, toekijkend hoe de anderen zich daar verderop uitleven. En komen ze dan in je buurt, en weten ze te scoren, dan is er altijd dat gevoel dat je ‘m had kunnen – moeten? – hebben. Een spits die de bal in kansrijke positie over jaagt kan op meer krediet rekenen dat die slome in de goal die die bal tussen zijn benen door laat glippen. Natuurlijk hebben tien anderen al gefaald als de bal bij de keeper uitkomt, maar op de een of andere manier is dat toch niet het eerste dat er door de hoofden van je medespelers schiet bij een tegengoal…
    Kortom: er zit meer dan genoeg waarheid in de constatering dat keepers gek zijn.
    Eén van mijn favorieten uit het zwart-witte verleden was Gert Bals. Ik had uiteraard meer favorieten: Eddy van der Roer waarmee ik nog lang heb gecorrespondeerd, Jan van Beveren en Piet Schrijvers. Binnen dat gezelschap was Bals toch ook weer een buitenbeentje. Keepers hebben een fikse ontwikkeling meegemaakt in de periode die ik bewust heb meegemaakt als voetballiefhebber. Vanuit een simpele ballenvanger begon het totaalvoetbal toch meer en meer eisen te stellen aan die vage figuur daar achterin. Meevoetballen, spelhervattingen, heersen binnen het doel- en liefst strafschopgebied... Met die steeds verder aangetrokken eisen groeide de doelman meer en meer uit tot een gewaardeerd en zelfs bij tijd en wijle gerespecteerd lid van het team.
    Met die toegenomen status evolueerde ook de outfit van de doelman. De wollen handschoen werd eerst nog voorzichtig voorzien van pingpongbatjesrubber, maar werd later zelfs geheel van een soort foam dat stevige grip op het kunstleer had. Ik kijk wel eens met afgunst naar die SpongeBob-achtige grijpers, terugdenkend aan mijn eigen verzameling provisorische handschoentjes – elk bestemd voor een ander type bal: van dat zich volzuigende bruine monster tot en met de geplastificeerde zwabberbal.
    En met die outfit daar onderscheidde die no-nonsens doelman Gert Bals zich. Ik denk dat hij met Jan Jongbloed zo ongeveer de laatste keeper in het betaalde voetbal was die het veld nog betrad met kniebeschermers. Maar dat niet alleen: waar de anderen al de eerste echte keeperstruien om de schouders hadden, liep Gert in een gele slobbertrui die eruit zag alsof zijn moeder hem de lelijkste en oudste trui mee had gegeven met de woorden: ‘Kan ie meteen weg als ie vies is!’ En om de schlemielige indruk compleet te maken had hij steevast een platte pet bij zich wanneer het zonnetje dreigde te gaan schijnen. Hoe wordt zo’n verschijning nou je jeugdidool?
    In de eerste plaats ben ik van jongs af aan Ajaxfan, dat helpt een stuk natuurlijk. Maar Gert was ook een sobere en doelmatige keeper die zeker niet aan de lijn geplakt bleef staan. Waar de veel stijlvollere Jan van Beveren bijvoorbeeld alleen met zichtbare tegenzin zijn goal uitkwam om een doorbraak af te stoppen, gooide Bals zich met zijn hele ziel en zaligheid voor aanstormende aanvallers. Mijn vader noemde zijn stijl van uitkomen ’De Bananasplit’, omdat hij zich met zijn lichaam zo ongeveer om de voeten van de aanvaller krulde. Na een midweekse Europacupwedstrijd bij Spartak Trnava, waar Bals een heldenrol vervulde en Ajax met verschillende onnavolgbare reddingen naar de volgende ronde keepte, moest Ajax de zondag erop tegen FC Twente. Twente had aan een overwinning genoeg om de titel te pakken. Het veld in Trnava was bikkelhard geweest en de grassprieten in de strafschopgebieden vertoonden ‘n sterke gelijkenis met het kapsel van Dick Advocaat: je zag ze wel, maar ze waren er niet echt. Bals lag van onder tot boven open na de wedstrijd. Die knielappen beschermden maar een beperkt deel en van gewatteerde keepersbroekjes of ‘slidingbroekjes’ was nog geen sprake. Als ze wel al hadden bestaan, dan nog zou ik me afgevraagd hebben of Gert ze wel aangehad zou hebben.
    De exacte stand op dat moment weet ik niet meer, maar in De Meer mag Eddy Achterberg op een gegeven moment alleen op Gert Bals af. Bals moet hebben verrekt van de pijn en zijn ‘bananasplit’ komt er dan nu ook niet helemaal uit. Achterberg is echter op alles voorbereid en raakt van zijn à propos doordat die ‘bananasplit’ uitblijft. En voor een volledig leeg doel weet hij de bal toch naast te schuiven! Ajax - Twente 2-0 en het lied ‘Eenmaal zullen wij kampioenen zijn’ doet zijn intrede in Tukkerland…
    Bals was de ultieme antiheld in de goal: deed wat hij doen moest zonder bravoure, show of opsmuk. Sober en over het algemeen doeltreffend. Behalve dan dat akelige moment tegen Feyenoord: een onschuldige kopbal glipt hem tussen de borst en armen de goal in en De Telegraaf kopte de volgende dag ‘Bals -Bal – Ba!’.
    In een Ajax-elftal met tien internationals zou Gert Bals de enige blijven die nimmer een cap wist te veroveren. Dieptepunt in zijn carrière moet ongetwijfeld zijn geweest toen Heinz ‘kroket’ Stuy in de kampioenswedstrijd de voorkeur kreeg en Bals op de bank moest plaatsnemen. Ik heb die hartvochtigheid van ‘De Generaal’ nooit begrepen…