https://www.svhuizen.nl/de-bal-is-rond/n4626c103
Zalmkado logo huizer kaasgilde logo bcz logo slokker it logo meco
Zalmkado logo huizer kaasgilde
     
    De Bal Is Rond
    14 aug 2020
    Ron Tuijnman
    Het bruine monster, het voorwerp waar het uiteindelijk allemaal mee begint en om draait: de bal... `n Column...
    de-bal-is-rond

    De bal is rond
    Ik ben geboren en getogen in een Amsterdamse buitenwijk die men ‘Tuinstad Osdorp’ noemde. Tuinstad, vanwege het vele groen dat men in de wijken gepland had. We woonden in van die huurkazernes waarmee men de naoorlogse wederopbouw van woonruimte en werk voorzag. Het was niet bepaald luxe bouw, geen lift bijvoorbeeld, maar die acht trappen op zorgden wel voor een uitstekende conditie.

    Mijn ouderlijk huis, Wildeman 6''' - Rechtsonder het veldje waar het allemaal begon...

    Tussen de huizenblokken waar ik woonde lag een ‘siertuin’, met een heerlijk grasveld waar de jeugd zich dan ook graag verzamelde voor een potje voetbal. Zoals u op de foto kunt zien woonden we in een soort een soort megastallen en zoals elk nadeel ook hier zijn voordeel had, bulkte het er van de voetballustige knulletjes. En zo ontstond alras VCDW, VoetbalClub De Wildeman, genaamd naar onze straat, die op haar beurt weer vernoemd was naar de voormalige boerderij die ooit op deze plek gestaan had. Hele wijken waren op deze manier ontstaan en we speelden dan ook complete toernooien tegen andere straatclubs. Zo waren we bijvoorbeeld tegenstander van de toen nog toekomstig Ajax-voorlichter Davy Endt, die twee straten verderop zijn jeugd beleefde.
    Eigenlijk hadden we maar drie problemen: wie moest er keepen, wie had er een fatsoenlijke bal en hoe zorgden we dat die bal niet in de verkeerde tuin terecht kwam… Want de tuinen van de onderste woonlagen grensden aan ‘ons’ voetbalveld en lang niet iedere buurman was even vergevingsgezind als de bal weer eens tussen zijn begonia’s belandde en twee stijf van de adrenaline staande jongetjes over de heg doken om de bal weer te in het spel te brengen. Vragen kon natuurlijk ook, maar dan lag het spel weer minutenlang stil voor je omgelopen was naar de voorkant van het gebouw. Dus als het ook maar even kon en er niemand keek, sloegen we die beleefdheid maar even over.
    Wie er keepte bleek achteraf geen probleem: dat werd dat joch van Tuijnman, die vond dat altijd wel een leuk baantje en bij tijd en wijle werd er ook nog wel eens tegen hem aan geschoten. Werk zat als doelman: uitslagen van 16-21 waren geen uitzondering, buitenspel bestond niet en bij weinig ruimte leverden drie corners steevast een strafschop op die met elf ferme passen werd uitgemeten. We lieten dat tijdens de discussies over de juiste afstand wel altijd door het kleinste jongetje doen bij een penalty voor en door de langste die zich dan zowat een liesbreuk strekte bij een penalty tegen.
    De bal was een ander probleem. Plastic ballen waren goedkoop en snel lek. Favoriet waren de Champion ballen – van die oranje basketballen. Die konden het maar zo een week of twee drie uithouden.
    We hadden echter ook een kunstgrasveld: de straat zelf, en daar konden de leren ballen nou net weer niet zo best tegen. Het was een arbeiderswijk waar de financiële bomen bepaald niet tot de hemel groeiden. Ons team bestond voor een groot deel uit een en dezelfde familie: de Kolsteegjes. Vier broers die met een aan De Daltons grenzende opeenvolging en lengte de ruggengraat van ons team vormden. Moeder Kolsteeg was nogal corpulent en dus niet meer zo best ter been. Liggend op de bank graaide ze dan weer zuchtend wat munten van de schoorsteenmantel als we weer eens zonder bal zaten en dan konden we weer even voort. ‘n Schat van een mens, ik noemde haar destijds ook wel mijn tweede moeder.
    Ik stam uit een familie waarbinnen het clubleven een dominante plek in nam. Mijn grootvader van moeders kant was actief als vrijwilliger bij een voetbalclub en hij bezorgde me mijn eerste voetbal: een afgekeurde veterbal. Een kleine leren knikker met een oranje, rubberen binnenbal waar zelfs nog geen ventiel in zat. De tuit moest met een veter worden dichtgeknoopt als de bal op spanning was en dan werd de leren buitenbal dicht geveterd. Niet echt een methode waar je op kon bouwen als materiaalman en dus werd de bal altijd stevig op spanning gebracht en dan vlug dicht geveterd in de hoop dat hij na een uurtje of twee nog van de grond kwam bij een stuit. Het koppen van een dergelijke kanonskogel was dan ook een hachelijke zaak: als je net die vetersluiting op je voorhoofd kreeg, dan liep je de rest van de week met een duivenei op je voorhoofd. Die wijsheid heb ik overigens niet uit eigen ervaring, maar het was een verhaal dat mijn ooms nog regelmatig tijdens verjaardagen opdisten.
    Maar af en toe dook er dan toch weer een leren bal op als een van de teamleden jarig was geweest of zo. Het leer was ‘gecoat’ met een soort folie die al na enkele ferme trappen de eerste scheurtjes begon te vertonen. Het ene na het ander paneel ‘ontvelde’ langzaam maar zeker, tot er een soort lappendeken was ontstaan die zich iedere druppel vocht op het veld toe-eigende en het ferme ‘boink-boink-boink’ werd van lieverlee dan een soort ‘blob-blob-blob’... Iedere straatvoetballer uit de vorige eeuw zal het beeld van deze bal zonder herkennen.
    Bij de echte verenigingen waar ik speelde evolueerden de ballen ook: van het oude bruine leren monster, tot de kunststof zwabberaars waar je wollen handschoentjes totaal geen grip meer op hadden. Dat was namelijk het enige voordeel van de echte leren ballen, die lieten zich lekker vast vangen, zeker als ze wat nat waren. Ook op mijn zwarte stretchtrui bleven ze lekker ‘plakken’. Geen ballen die makkelijk tussen borst en armen doorschoten.
    Dat kan van die kunststof dingen helaas niet gezegd worden. Als het ook maar even kon keepte ik dan ook met blote handen omdat dat voor mijn gevoel nog het meest grip op dat kunstleer bood. We moesten wachten tot Sepp Maier tijdens een WK van die enorme foamhandschoenen introduceerde voor er een defensief antwoord op die krengen gevonden werd. De bal op de borst zien te klemmen bleef echter een lastige opgave.
    En zo evolueerde de bal van een leren vetertje tot een met bijna chirurgische precisie ontworpen technisch hoogstandje. Kijkend naar oude wedstrijden in zwart-wit valt het trage tempo op waarin de combinaties zich op het veld ontwikkelen. Maar dan zie ik die oude leren ballen van toen en vraag me af hoe een Faas Wilkes of een Abe Lenstra het vandaag de dag gedaan zou hebben, of hoe een Bergkamp en een Van Basten het er destijds met die bruine hobbezakken vanaf gebracht zouden hebben. Misschien is het maar beter ook dat we dat nooit te weten zullen komen…

    Dit was de laatste column uit deze serie. Het seizoen staat weer te beginnen en ik ga me nu weer op de wedstrijdverslagen richten. Ik dank een ieder die de moeite heeft genomen de serie te volgen en ik hoop dat u er net zoveel plezier aan beleefd heeft als ik aan het schrijven ervan en dat het u ook een beetje door die voetballoze weken heeft geholpen...